De
media staan er deze dagen bol van. Een deelnemer aan het reality-programma
'Mijn restaurant' heeft zelfdoding gepleegd. En heeft daarbij een briefje
achtergelaten waarin hij verwijst naar het programma als een van de zaken die
hem gekraakt hebben. Of zijn deelname werkelijk tot zijn zelfdoding geleid
heeft, is moeilijk uit te maken. Wellicht is het een samenloop van veel
verschillende factoren. Maar in mijn mediatrainingen haal ik wel altijd
volgende stelling aan: "de media liggen niet wakker van de effecten op jou
of je organisatie wanneer ze besloten hebben je verhaal te brengen (of hun
interpretatie van jouw verhaal ...)". Media zijn commerciële producten, die
beantwoorden aan de specifieke wetten van media en commercie. Er moet drama en
spanning zijn, antagonisten en protagonisten ... Waar het hen om draait is dat
liefst zoveel mogelijk mensen (of zoveel mogelijk uit een bepaalde doelgroep)
lezen, kijken, luisteren ... Daarvoor vertellen ze het verhaal op hun beproefde
manier. Als voorwerp van de media-aandacht kun je proberen zoveel mogelijk bij
te sturen of zo weinig mogelijk prijs te geven, al naargelang van je
bedoelingen. Als mediaconsument kunnen we zelf bepalen aan welke
verleidingstechnieken we al dan niet toegeven. Als de consumenten deelnemers
aan realityprogramma's op hun kop willen zien krijgen en en public vernederd
willen zien worden, zullen de media hen dat bieden ...
dinsdag 21 september 2010
donderdag 16 september 2010
CIM Algebra
Sommige
kranten publiceren vandaag zegebulletins, anderen zullen misschien zedig
zwijgen. Uit de nieuw gepubliceerde CIM-cijfers blijken zich een aantal
spectaculaire verschuivingen in de markt voor te doen. Zo zou de Vlaamse
krantenmarkt met zomaar liefst 5,9% groeien. Kranten als Gazet van Antwerpen en
Belang van Limburg zouden groepercentages van 13,4 en 10,8% meer lezers kunnen
voorleggen. Vers l'Avenir zou zelfs ineens 25% meer lezers tellen ... Hebben de
Belgen ineens massaal van krantenlezen hun hobby gemaakt? Hebben de
krantenuitgevers spectaculaire promo-acties gedaan? Feit is dat CIM gewoon van
methodologie veranderd is en dat heeft blijkbaar impact op de tellingen ...
Vraag is dus maar of er vandaag inderdaad meer krantenlezers zijn, of ze
vroeger eerder onderschat werden, dan wel of al die cijfers eigenlijk
behoorlijk onbetrouwbaar zijn ...
maandag 6 september 2010
Het Belang van het Legaat
De
Stichting tegen Kanker lanceerde afgelopen vrijdag, 3 september, een
persbriefing rond de subsidiëring van hoogtechnologische apparatuur voor
onderzoekslabo's aan de verschillende Belgische universiteiten. Het geld is
afkomstig van een uitzonderlijk groot legaat. Voor de Stichting is het op zich
niet zo belangrijk wie dat legaat precies heeft nagelaten. Veel belangrijker is
dat de Belgische universiteiten dit soort van apparatuur, die hen helpt mee aan
de top van het onderzoek te blijven, zonder een dergelijke financiering vanuit
privéfondsen gewoonweg niet kunnen aanschaffen. Daar lijkt toch wel de relevantie
te liggen: dat de belgische overheid niet in staat is haar onderzoekers van de
noodzakelijke middelen te voorzien om fundamentele problemen op te lossen.
Voor
journalisten daarentegen, ligt de relevantie blijkbaar bij 'van wie is het
legaat'. Moest het nog zijn 'waarom' geeft iemand dat legaat, tot daar aan toe
...
dinsdag 31 augustus 2010
Zijn de media humanitairder dan de humanitairen?
Vanavond
organiseert de Laatste Show zijn eigen ‘wafelenbak’ ten voordele van Pakistan.
Zo omschrijven ze het toch zelf. De motivatie is uiteraard de onnoemelijke
ellende die de overstromingen in Pakistan veroorzaken, maar toch ook de hulp –
lees de giften – die maar met mondjesmaat op gang komen. Dat vinden ze bij
Woestijnvis / De laatste Show niet kunnen en dus pakken ze een en ander maar
zelf op. ‘Wie weet motiveert het anderen om ook iets te ondernemen’, aldus de
website van De Laatste Show.
Intussen
heb ik in dit stukje al driemaal ‘De Laatste Show’ – oeps , viermaal – laten
vallen …
Media
en engagement. Het is altijd een beetje een rare verhouding. Wat is de
achterliggende bedoeling? Is er sprake van echte verontwaardiging en medeleven
of weegt het marketingdenken ook hier sterk door? Media zijn vandaag immers
commerciële producten.
Sinds
begin augustus jagen de media de hulporganisaties op iets te ondernemen voor de
getroffen Pakistanen. Commentatoren interpelleerden de NGO’s waarom ze geen
grootschalige actie opzetten, opiniebijdragen moesten verklaren waarom de
bevolking niet geneigd is in de portefeuille te tasten …
De
hulpmachine die zich soms zo razend snel op gang kan trekken, leek nu de kat
uit de boom te kijken … De media leken er zich aan te ergeren. Ze voerden de
druk op. Vanuit welke motieven? Wat was de rol van de nieuwsluwe
vakantieperiode die redacties kopbrekens bezorgt over hoe die grote mediaruimte
te vullen? Op zo’n ogenblik is een ramp een welkome en quasi onuitputtelijke
bron van verhalen waarmee de moeilijke periode zo overbrugd is.
Media
geraken niet ‘zomaar’ geëngageerd. Meestal moeten NGO’s de media danig
aanporren om hen mee te krijgen. Ook vandaag bestaan er vele ‘stille rampen’
waar redacties en programmamakers nauwelijks voor warm te maken zijn. De acute
hongersnood in de Hoorn van Afrika bijvoorbeeld, waar miljoenen een ellendige
dood sterven.
Waarom
engageren media zich in solidariteitsacties? Media worden gemaakt door mensen:
journalisten zijn begaan met de wereld. Ze kijken rond en voelen ook emotie.
Raken verontwaardigd en vragen zich af welke middelen ze kunnen inzetten …
Media,
commerciële producten zijnde, houden ook de vinger aan de pols van hun publiek.
Mensen leven mee, beginnen acties op te zetten en media worden er klankbord
voor.
Tenslotte
moeten media ook verkocht geraken. Cause related marketing – marketingacties
waarbij een win-win situatie gecreëerd wordt tussen een product en een goed
doel - is een manier om de sympathie en de trouw van het lezerspubliek te
winnen en te versterken.
Al
die redenen bij en door elkaar maken dat media hun plaats in het
solidariteitslandschap proberen op te eisen. Ze hebben de mobiliserende kracht
van rampen en ander onheil ontdekt. Solidariteit is een onderdeel van
publieksbinding geworden. In die mate zelfs dat bij de meer ‘mediagenieke’
rampen, genre tsunami, de media het initiatief van langs om meer overnemen van
de NGO’s. Die moeten hollen om mee in de pas te blijven.
Een
ramp dreigt dan al snel entertainment te worden. Dat mogen we niet zomaar laten
gebeuren. Maar tegelijk is het ‘entertainment’ ook dikwijls welgekomen om de
ramp verkocht te krijgen aan de schenkers. Het evenwicht is wankel, maar de
financiële middelen noodzakelijk.
Het
‘humanitaire entertainment’ blijft overigens niet beperkt tot momenten van
grote acute rampspoed. Er bestaan intussen vele voorbeelden hoe media
maatschappelijk engagement in hun formats integreren, zowel voor eigenlijk als
oneigenlijk gebruik overigens: ‘Peeters & Pichal’ die een uitzending laten
vorm geven door allochtonen, VTM programmeert ‘Stille Weldoeners’ - een
programma waarin rijke weldoeners zich onderdompelen in sociale projecten -,
VT4 biedt NGO’s gratis reclamespots, De Standaard organiseert jaarlijks de
‘Standaard solidariteitsprijs’, Studio Brussel zet de hele goegemeente in
beweging met ‘Music for life’ , HLN.be en De Morgen.be vragen met ‘Planet Watch’
aandacht voor de klimaatsverandering, Vijftv laat bekende vrouwen berichten uit
de derde wereld …
(En
à propos, wat doet De Morgen?)
En
toch merken we vandaag dat de media niet almachtig zijn. Gelukkig in vele
gevallen, spijtig in gevallen als de ramp in Pakistan vandaag. Want hoewel de
media snel op de solidariteitskar gesprongen zijn, komt de steun vanuit de
publieke opinie toch niet zo massaal op gang als de hulpverleners – en de media
- graag zouden willen.
Koen Van den Broeck
dinsdag 24 augustus 2010
Sterke journalisten, slimme persattachés …
Het heeft iets van een Tom & Jerry cartoon –
waarbij ik in het midden laat wie Tom en wie Jerry is – de manier waarop
journalisten en PR-verantwoordelijken mekaar geregeld over en weer verwijten
toesturen, maar uiteindelijk mekaar toch niet kunnen missen.
In
De Journalist nummer 137 was het weer zover. In het artikel ‘Snel nieuws, slow
journalism’ maakt Pol Deltour tot tweemaal toe een nogal denigrerende opmerking
over PR-bureau’s en persattachés: “…. Dat is met name het geval wanneer nog
maar eens een communicatiebureau of PR-officer er in slaagt een persbericht min
of meer lineair in het nieuws te krijgen … / … Ook al heeft informatie een
reukje – ze komt bijvoorbeeld van een pr-bureau - ….).
In
een reactie op onze vraag waarom hij zo venijnig uithaalde naar
PR-professionals, haalt Deltour als verklaring aan dat “journalisten zich
tegenwoordig wat overruled voelen door PR-professionals, een gevolg van zowel
eigen verzwakking als professionalisering van de PR-wereld.”
In
een onderzoek van het PR-bureau ‘Quadrant Communications’ van 2009 blijkt
nochtans dat Belgische journalisten vrij positief staan tegenover de diensten
van PR-verantwoordelijken en PR-bedrijven. Ruim 54% van de respondenten (217
Belgische beroepsjournalisten) noemden ze “nuttig”, terwijl slechts 7% zich kon
vinden in omschrijvingen als “overbodig” of “ergerlijk”. Aldus het
perscommuniqué, komende van een PR-bureau weliswaar ….
Uit
dat onderzoek bleek ook dat voor journalisten de inspanningen van PR-mensen een
bruikbare bron van nieuws vormen, inspiratie opleveren voor artikels of
reportages, het aanvragen van test- of recensieproducten vergemakkelijken en de
communicatie met bedrijven of overheidsinstellingen vlotter laten verlopen.
Macht en tegenmacht
Is
het een verdienste van de sluwe PR-officer dat zijn persbericht “min of meer
lineair” in het nieuws geraakt? Of ligt het aan de sloomheid van de journalist
dat hij een ingezonden tekst quasi letterlijk overneemt? En valt een en ander
überhaupt te betreuren?
Journalisten
mogen niet vergeten dat ze vandaag nog steeds over een bijzonder grote macht
beschikken. Hun verantwoordelijkheid is verpletterend en situeert zich op twee
niveaus: selecteren en redigeren.
Eerst
en vooral zijn en blijven ze de onverbiddelijke gatekeepers tot de beperkte
mediaruimte. Zij bepalen autonoom binnen hun redactie wat wel en niet voor
publicatie in aanmerking komt, en op welke manier dat gebeurt. Ze creëren
daardoor ook mee het beeld dat het publiek van de samenleving krijgt.
Bovendien
zijn hun ‘fouten’ nauwelijks recht te zetten. Wat gepubliceerd is, is
gepubliceerd, alle rechtzettingen en rechten van antwoord ten spijt. De
‘onderwerpen’ - of ‘lijdende voorwerpen’ zo u wil - van de media, zijn de
speelbal van het goeddunken van de journalist, die daar quasi onmogelijk over
ter verantwoording kan worden geroepen.
Niet
voor niets vertonen heel wat bedrijfsleiders, politici, magistraten,
geneesheren en vele andere groepen in de samenleving een diep wantrouwen
wanneer journalisten met hen contact proberen te zoeken. Zou het kunnen dat
journalisten hun rol van maatschappelijke waakhond de afgelopen jaren wat al te
ijverig of te onevenwichtig hebben gespeeld? Een dergelijk wantrouwen valt in
elk geval te betreuren, want uiteindelijk is iedereen gebaat bij een open
communicatie.
Beide
elementen zijn ongetwijfeld belangrijke redenen waarom het aantal persattachés
over de laatste jaren zo’n hoge vlucht genomen heeft. Diegenen in de
maatschappij die media-aandacht nodig hebben om hun opdracht te verwezenlijken
– en dat kunnen zowel bedrijven als overheidsdiensten, middenveldorganisaties,
verenigingen allerhande … zijn, moeten zich plooien naar de wetten van de
media.
En
daarom zijn er professionals nodig die die wetten doorgronden en de dialoog
kunnen aangaan met de redacties om tegengewicht te bieden aan hun ongebreidelde
macht.
Knecht van twee meesters
De
PR-officer komt daardoor dikwijls in een behoorlijk dubbelzinnige positie
terecht, als knecht van twee meesters. Enerzijds moet hij voor zijn
opdrachtgever trachten een plaats te veroveren in de krappe mediamarkt,
anderzijds moet hij rekening houden met de vereisten van de journalistiek. Het
vraagt heel wat behendigheid om beide verwachtingen met elkaar te verzoenen.
Een
en ander maakt de PR-officer ook tot een dienstverlener voor de journalist. Hij
stuurt zijn opdrachtgever in de keuze van mediagenieke boodschappen en verwerkt
ze in het beste geval tot materiaal dat voor een journalist zo gemakkelijk
mogelijk te hanteren is.
Daarmee
helpt hij de onder zware tijdsdruk staande journalist efficiënter nieuws te
vergaren en te verwerken. Dat redacties met hun beperkte bezetting er vandaag
toch nog altijd blijven in slagen interessante verhalen te publiceren, heeft er
ook mee te maken dat al die PR-mensen onverdroten onderwerpen en invalshoeken
blijven aanbrengen.
‘Overrulen’
PR-officers de redacties? Laat ons wel wezen, de verantwoordelijkheid voor het
inkrimpen van de redacties of de redactionele keuzes die gemaakt worden, ligt
niet bij de PR-sector. Als koningin Fabiola ten onrechte wordt doodverklaard,
of luchtvaartmaatschappij United Airlines voorbarig failliet verklaard, zegt
dat vooral iets over de kwaliteit van de journalistiek dan wel over het vernuft
van diegene die de journalist probeert te misleiden.
Het
is alleszins niet de PR-sector die aandringt op het inkrimpen van redacties of
het beperken van redactionele ruimte. Integendeel.
Informatieaanbieders,
PR-mensen en journalisten vormen een samenhangend en naar mijn mening
behoorlijk goed functionerend geheel, wanneer elke partij het belang van de
andere wil begrijpen en respecteren. Om dat spel goed te laten verlopen, hebben
we zowel nood aan sterke journalisten als aan slimme PR-professionals.
(Verschenen
in De Journalist 138, 20 augustus 2010)
donderdag 12 augustus 2010
Valt de ramp in Pakistan mediageniek te maken?
Naar
schatting 14 miljoen mensen worden door de watersnood in Pakistan getroffen.
Dat is een pak meer dan bij de Tsunami van enkele jaren geleden of de
aardbeving in Haïti begin dit jaar. Maar de Tsunami aan financiële steun zoals
die destijds ontstond, daar moeten de Pakistanen vandaag wellicht niet op
rekenen. Naar verluidt plannen de NGO’s niet onmiddellijk grootscheepse
campagnes om geld in te zamelen voor de getroffen Pakistaanse bevolking.
Is
er sprake van selectieve verontwaardiging, ook bij de NGO’s? Zijn Haïtianen
meer inspanning waard dan Pakistanen?
Niets
is minder waar, maar de ene ramp is helaas niet de andere als het op
fondsenwerving aankomt. Ongetwijfeld is de nood aan financiële middelen in
Pakistan vandaag even groot als destijds in Haïtï of het tsunamigebied. Maar de
kaarten om er een geslaagde fondsenwervingactie van te maken, liggen helaas
anders.
De
NGO’s vrezen wellicht terecht dat een grootschalige campagne ten voordele van
Pakistan onrendabel zou blijken. En ze spreken uit ervaring. Ook de aardbeving
in Pakistan van enkele jaren terug leidde niet tot massale solidariteit in ons
land.
Wat
heeft Haïti dat Pakistan niet heeft?
Het
simpele feit van een ramp, zet NGO’s niet meteen aan tot het opzetten van een
fondsenwervingcampagne. Zij schieten pas in actie wanneer zij voelen dat de
solidariteit spontaan naar boven komt borrelen: de media schenken uitgesproken
aandacht aan de ramp, individuele mensen contacteren hen om giften over te
maken, lokale comités zetten een wafelbak op ten voordele van etc.
Pas
wanneer de hoge nood en de publieke opinie mekaar versterken, is voor de NGO’s
de tijd rijp om een campagne op te zetten die de grote investeringen in mensen
en middelen die dat meebrengt, rechtvaardigt.
Grosso
modo bepalen vier elementen of de publieke opinie in solidariteit omslaat: het
verrassingseffect, de massale omvang van de catastrofe, de verbondenheid tussen
de getroffen bevolking en het publiek hier, en het tijdstip waarop een en ander
gebeurt.
Van
deze vier elementen speelt er vandaag maar één in het voordeel van Pakistan: de
massale omvang. Het gaat om heel veel mensen die getroffen zijn. Maar hoewel
meer mensen getroffen zijn dan bij bijv. de Tsunami, blijft het aantal
dodelijke slachtoffers toch eerder beperkt, wat de ernst van de ramp bij het
publiek ook weer relativeert.
Van
een verrassingseffect is er al helemaal geen sprake: de ramp heeft niet
plotsklaps toegeslagen, maar voltrekt zich over een periode van een aantal
dagen tot weken. Het is maar gaandeweg dat de omvang van de catastrofe
duidelijk wordt. Intussen is de media-aandacht nog steeds niet massaal en
treedt er al een zeker gewenningseffect op bij het publiek.
Ook
op het vlak van verbondenheid met de getroffenen, stelt er zich een probleem:
het negatieve imago van de Pakistaanse regio in de publieke opinie, het gebrek
aan een invloedrijke Pakistaanse bevolkingsgroep in ons land, de aversie ten
opzichte van de islam bij een groot deel van de bevolking, de dreigtaal van de
Taliban …. zijn allemaal elementen die Pakistanen in dit geval benadelen t.o.v.
bijvoorbeeld de Haïtianen. Haïtianen roepen bij onze bevolking veel spontaner
gevoelens van sympathie op omwille van de vele Vlaamse paters en hulpverleners
die in dat land actief zijn, de taal die ze spreken, het beeld van de Haïtianen
in ons collectieve geheugen als mensen die in uiterst armoedige omstandigheden
moeten zien te overleven ….
Tenslotte
is er het tijdstip. In volle vakantieperiode zijn we allemaal wat minder alert,
de media reageren wat trager (hoewel een dergelijke ramp in de komkommerperiode
eigenlijk ook welgekomen is om krantenkolommen en TV-journaals te vullen), vele
mensen zitten in het buitenland, onze laatste centen hebben we aan ons hotel
besteed … In de kerst en Nieuwjaarsperiode daarentegen zitten we sowieso in een
mindset van solidariteit en geven. Als er dan om onze solidariteit gevraagd
wordt, is maar een kleine vonk nodig.
Stel
dat de NGO’s hier toch een grootscheepse campagne van zouden willen maken,
welke middelen zouden ze dan in de strijd moeten gooien? Ik weet niet of de
vraag opportuun is, maar wellicht heeft men dan geen andere keuze dan terug te
grijpen naar de klassieke middelen en bijvoorbeeld een blik BV’s of zelfs
internationale vedetten open te trekken, die in het beste geval het rampgebied
gaan bezoeken en in hun zog de media meetrekken die hun oproepen tot
solidariteit dan kunnen uitvergroten.
Wat
ook altijd helpt, zijn Belgische slachtoffers. Niets dat zo tot solidariteit
aanzet dan wanneer we zelf van kortbij met de ramp geconfronteerd worden
doordat we mensen kennen – al is het maar via via – die er bij betrokken zijn.
Dat zou kunnen als er bekende toeristische trekpleisters getroffen zijn, zoals
destijds in Thailand het geval was bij de Tsunami.
Ook
de mate waarin Belgische hulpverleners ter plaatse gaan en als helden kunnen
opgevoerd worden, hun nood kunnen klagen en om steun vragen, is een trigger die
tot geven aanzet.
Tenslotte
blijven ook de media een primordiale rol spelen. Zij zijn de voortrekkers in
het vormen van de publieke opinie. Een aanhoudende en emotionele berichtgeving
creëert het ideale klimaat om tot solidariteit aan te zetten.
Een
en ander brengt ons bij de vraag of we er ons niet gewoon moeten bij neerleggen
dat er nu eenmaal mediagenieke en niet-mediagenieke rampen zijn? Vervolgens
moeten we ons dan afvragen of NGO’s niet de mogelijkheid moeten krijgen
tenvolle gebruik te maken van het ‘fondsenwervingpotentieel’ dat mediagenieke
rampen hebben om extra middelen te genereren die later voor minder mediagenieke
rampen kunnen aangewend worden.
Daar
stoten we evenwel op praktisch en ethische bezwaren.
Het
noodhulp consortium 1212 is voor de uitreiking van fiscale attesten gebonden
aan een strikte afbakening van de inzet van de verzamelde middelen. De fiscale
aftrekbaarheid geldt enkel voor de euro’s ingezameld in functie van die ene
noodramp. Houden ze zich daar niet aan, krijgen ze last met de fiscus.
Daardoor
moest ook Artsen Zonder Grenzen op een bepaald moment aankondigen dat het
stopte met het inzamelen van geld voor de tsunamislachtoffers, omdat ze
voldoende middelen hadden bijeengebracht om hun programma’s in dat gebied te
financieren.
Natuurlijk
zit er ook een ethisch element aan: kan je donateurs oproepen geld te geven
voor Haïti en het dan later aan Pakistani geven? Sommige mensen zullen daar
geen problemen mee hebben, anderen weer wel. Het is een discussie die al lang
leeft binnen de NGO wereld, maar waar tot nog toe geen eenduidig antwoord op
bestaat.
Koen
Van den Broeck
dinsdag 10 augustus 2010
Miljarden voor het goede doel
Bill
Gates en Warren Buffet roepen miljardairs op de helft van hun fortuin weg te
schenken aan het goede doel (De Standaard 5 augustus 2010). Mooi initiatief. Ze
hebben intussen al veertig miljardairs bereid gevonden zich bij die campagne
aan te sluiten.
Maar
wat zou het effect zijn als die mensen nu gewoon bereid waren minder te
verdienen en die extra financiële middelen via meer werkgelegenheid in de
maatschappij te pompen?
Abonneren op:
Posts (Atom)